AMSTERDAM
Gemene slagregen slaat keihard op mijn poncho. Het is koud, ik voel een vuurrode winterteen gloeien in mijn rechterschoen. De winters worden warmer maar ik krijg het elk jaar kouder. Gek is dat. Hoogste tijd om te vertrekken, qua werk is het toch laagseizoen. Ik wil weer naar Cuba. Zo snel mogelijk. Op internet vind ik een ticket voor drie maanden.Twee weken later kom ik aan in Havana. Felle zon en strakblauwe lucht. Ik pak mijn zonnebril en ben gelukkig.
WONEN IN HAVANA
Na vier verhuizingen vind ik een appartement in de weelderige groene wijk Vedado. Vroeger een deftige buurt vol Neoclassicistische en Art Deco slagroomhuizen. Slingerende trappen, afgebladderde pilaren, brede veranda’s met uitzicht op een gazon vol palmen, verraden een verleden met suikerbaronnen en casinobazen. Veel residenties staan kreunend op het punt van instorten. Straten worden omlijst door diepgroene overhangende bomen waaronder Amerikaanse oldtimers en Lada’s staan. Griezelig als een Hitchcock film. Tot ‘59 was Vedado verboden voor negers.
Pas na de revolutie, toen de Amerikanen het land uitgeknikkerd werden en rijke Cubanen wegvluchtten, werd deze elegante buurt bevolkt door alle kleuren en standen. Ik huur semi-legaal. In dit land mag niks, maar alles kan via een omweg. Cubanen wonen gratis. Voor gas, licht en telefoon wordt in ‘peso’s Cubanos’ betaald. Een soort monopoliegeld. Niks waard. De tweede geldeenheid; ‘peso convertible’, staat gelijk aan de dollar. Daar kan je ‘luxeartikelen’ zoals een ventilator voor kopen. Inventief probeert iedereen dollars te bemachtigen. Zo zijn er geheime huiskamer restaurants, illegale taxi’s en onderhandse kledingverkopen.
Mijn huisbazin schrijft mij officieel in als ‘logerende vriendin’, omzeilt listig alle regels en steekt de huur in eigen zak. Nu heb ik een keuken en kan zelf koken. Bovendien mag mijn lerares Spaans binnenkomen zonder zich te hoeven registreren bij de huisbaas. Ook deze hoogleraar werkt zwart en wil geen problemen.
LA EPOCA
Ik fiets naar la Epoca,een van de oudste warenhuizen van Centro Havana.
Er heerst dezelfde stilte als in het Rijksmuseum. Mensen staren vol ontzag in de glazen vitrines. Ik ben benieuwd waar ze naar kijken. Als ik naast ze sta, zie ik een Maggiblokje á dertig eurocent liggen, een piepklein reepje chocolade á vijfendertig eurocent en losse zuurtjes á vijf eurocent per stuk. Vandaag is er gelukkig kauwgom, twee stuks in een doosje. Het liefst zou ik twintig doosjes tegelijk willen kopen, maar dat doe ik niet. Dat komt door de mensen om me heen. Met grote zorg koopt een mevrouw vijf zuurtjes. Het is een bloedserieuze transactie. Ze wijst ze stuk voor stuk aan. De verkoopster loopt met een sleutel naar de kast achter de toonbank. Nadat ze de zuurtjes gepakt heeft, gaat de kast weer op slot. Het lijkt alsof ze de duurste Tiffany’s diamanten aan het verkopen is. Als ik aan de beurt ben, wijs ik naar de kauwgom: drie pakjes, por favor. Wanneer ik eindelijk bij de caissière sta, gaat de kassa kapot en kan de verkoop niet doorgaan. Weer geen kauwgom.
SJAGGEREN
Het gemiddelde inkomen per maand is twintig euro. Dat verdient iedereen; artsen, caissières, leraren. Alleen de duizenden politiemannen verdienen meer; vijfentwintig euro per maand. Geen wonder dat de meeste mensen aan het sjacheren zijn. Gek word ik van de onderhandelingen met de taxichauffeur die zonder taximeter wil rijden. Als ik dreig af te haken en zakt hij drastisch met zijn prijs. In de geheimzinnige zwarte Dodge met getinte ramen heerst de sfeer van een Maffiafilm. Wanneer we het ziekenhuis passeren, zegt de taxichauffeur; ’Daar werkte ik vroeger.’ ‘Hoezo?’, vraag ik, ‘Ik was gynaecoloog maar verdiende te weinig. Dit betaalt beter.’ Op straat wordt van alles aangeboden. Een man komt naar me toe, hij draagt een tas. Hij fluistert zacht of ik iets wil kopen. Heel stiekem doet hij de tas open. Ik zie een blik Smac. Mijn ouders namen dat vroeger mee als we gingen kamperen. Ik geloof dat het ham is, vermengd met meel. Erg vies, ik mompel;’Non, gracias’. Hij geeft niet snel op. Nu laat hij sleutelhangers zien. Ronde plastic bolletjes met aan een kant een oog en aan de andere kant een afbeelding van Maria die wil ik ook niet. Waar ik vandaan kom? ‘Holanda’.’Qué linda!’ (wat mooi). ‘Heb je al verkering?’ ‘No’.Of we vanavond zullen gaan dansen. ‘Non gracias’.
ETEN
Als een detective doe ik boodschappen. Het duurt lang voordat ik snap waar wat te koop is. Op de markt vlakbij
liggen uien, onrijpe tomaten, gedroogde boontjes en witte kolen. De groentestal verkocht drie weken lang knapperige waterkers. Dat waren goede tijden. Een half uur verder staat een kraam met wortelen. Nog een kwartier fietsen naar de overdekte markt waar soms citroenen liggen. De vriendelijke visboer heeft af en toe vis, vaak niet. Mijn aardappelwinkel draait steengoede muziek maar is helaas door zijn voorraad heen. Eieren zijn niet te koop bij de supermarkt. Er zijn wel eieren. Ze staan opgestapeld in de depots waar Cubanen met hun ‘bonnenboekje’ gratis levensmiddelen afhalen. Per maand heeft iedereen recht op een halve kip, een zak rijst, olie, brood, bonen, suiker, melkpoeder, vage koffie, benzine en eieren.
Ik heb een week lang sardientjes uit blik gegeten en wil nu een ei. Er staat een lange rij bij het depot. ‘Ultima?’ (De laatste?), vraag ik. Zo hoort het . Voordringen is uit den boze, anders breekt de revolutie opnieuw uit. Na anderhalf uur ben ik aan
de beurt en vraag of ik eieren mag kopen. ‘Nee, dat kan niet’, zegt de distributeur. Ik druip af. Als hij me een paar eitjes had verkocht, was zijn hele administratie in de war geschopt. Had ie gedonder gekregen met de controleur, die vervolgens een standje van zijn meerdere zou ontvangen. Nu blijft niets anders over dan de illegaliteit. Een oude mevrouw wenkt me. Saamhorig staan we in een portiek. Ze verkoopt me zes eitjes voor één euro. We knikken allebei voldaan. Het lijkt of ik in een tijdmachine zit en in de verhalen van mijn ouders over de hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog terecht ben gekomen. Ik fiets naar huis en bak voorzichtig een ei.
Missie geslaagd.
VAMOS A BAILAR
Cubanen zijn supervrolijk en royaal. Zelfs wanneer ze zich somber voelen, gaan ze met een stralende glimlach de straat op. Problemen los je op met dansen. Geld, moeizaam verdient of ontvangen van familie overzee, wordt meteen uitgegeven. Niemand mag het eiland af, tenzij je een ‘uitnodiging’ krijgt uit het buitenland. De meeste Cubanen wonen levenslang in Cuba. Samen zitten ze in hetzelfde schuitje en moeten het met elkaar rooien. Ik bewonder hun blijmoedige levenshouding. Wat kan ik hier veel leren. Ik word opgehaald door vrienden. We zitten met acht mensen opgepropt in een Lada. De bestuurder heeft ruzie met z’n vrouw. Hij slingert de auto naar de kant van de weg. Iemand verdwijnt een huis in om terug te komen met flessen Russische wodka en lokale rum. De cd speler staat keihard aan. We drinken uit plastic bekertjes en er wordt salsa gedanst onder een boom op de stoep. Daarna naar de disco. Als gast mag ik beslist niks betalen. Mijn buurman laat zien hoe je zittend op een stoel kunt dansen.
De bestuurder danst zwierig met allerlei meisjes. Wat nou relatietherapie? ‘Laten we dansen’, zo doen Cubanen dat. De volgende dag besluit ik Salsa les te nemen. Vanaf nu ga ik ook alles oplossen met dansen. Ik vind een kleine dansschool waar drie leraren privé-les geven. Leraar Danny - twintig jaar - kijkt me streng aan; ’Eerst bepalen we de onderlinge afstand’. Hij spreidt zijn vingers tussen mijn borstkas en de zijne. ‘Twintig cm, niet meer, niet minder. Ik ga je leren hoe je als dame danst. Rustig, elegant, ladylike’. We draaien rondjes, ‘Relax’, zegt Danny terwijl hij aan mijn armen schudt, ‘Blijf me aankijken’. ‘De hele tijd?’ vraag ik. ‘Ja, ik heb toch mooie ogen?’ ‘Een, twee, drie...pauze’. Ik probeer aan alles tegelijk te denken. Ogen, relax, pauze. Nadat het uur voorbij is, spreek
ik af iedere dag les te nemen. Als ik in het land van de Rumba
niet leer dansen, lukt het nergens. Het dansschooltje wordt deel van mijn leven. Het lijkt er op een wervelende soap waar romances ontstaan en harten breken. De sfeer tussen mij en Danny is hilarisch. Hij merkt dat ik enorm mijn best doe. We liggen vaak dubbel van het lachen. Na afloop ben ik altijd vrolijk. Iedere vrijdagavond gaan we met de hele school dansen bij een life-orkest. Een man pakt mijn hand. Aarzelend beginnen we te dansen. Ik hoor de stem van Danny in mijn hoofd;’ 1,2, 3...pauze’. OP REIS
Een binnenlandse vlucht in een gebutst vliegtuig brengt me naar Santiago de Cuba aan de andere kant van het eiland, de zonovergoten Oriente. In de zinderende hitte loop ik langs blauw en felroze geschilderde huizen. Sappige mango’s en avocado’s liggen te wachten om verkocht te worden.
Eind 18e eeuw tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, vluchtten Franse kolonisten met hun slaven vanuit buureiland Haïti, hierheen. Koffieplantages maakten de Franse grootgrondbezitters steenrijk. Vandaar de invloed van sierlijke Franse architectuur in Santiago. De slaven uit Angola, Nigeria, Kongo en Haïti bleven hun muziek trouw tijdens rituele bijeenkomsten. Uit een rijke mix van ritmes ontstonden allerlei typisch Cubaanse muziekstijlen. Op kleine pleinen zoeken mensen verkoeling onder de bomen. Overal klinken a-tonale flarden muziek. Son, Timba, Salsa. Iedere vijf minuten spreekt iemand me aan. Of ik mee ga dansen, een taxi wil of misschien huisvesting zoek. Ik voel me onbehaaglijk en vertrek in een bus naar de provinciestad Holguin. De taxichauffeur die me naar een pension brengt, vertelt dat deze stad welgeteld één stoplicht heeft. De plaatselijke bevolking vervoert zich per paard en wagen. Ik zie een familie volstrekt vanzelfsprekend in een 18e- eeuwse koets stappen. De koetsier ontvangt een paar peso’s. Verderop staat een bokkenwagen op zijn standplaats. In het centrum is het druk vanwege de jaarlijkse Culturele Week. Langs de rand van het park staan schaars verlichte kraampjes. Gespietste varkens draaien schokkend rond boven smeulende vuurklonten. Uit een tankwagen wordt goedkoop bier getapt. Ik drink bitterzoete guavesap. Op het podium speelt een twintig koppige band. Mensen zingen enthousiast mee terwijl ze dansen op plastic slippers.
Na een paar dagen ga ik verder. De bus stopt in Camaguey. Hier houdt het openbaar vervoer op. Ik zal zelf transport moeten regelen naar het stille strand van Santa Lucia. Taxichauffeurs trekken aan m’n arm en fluisteren hun prijs; vijf en zeventig euro. Dat lijkt me veel. Een zwarte jongen met een fietstaxi vraagt of hij me kan helpen. ‘Ik zoek een auto’, zeg ik. Hij loopt naar de telefoon, gooit er een lichtgewicht muntje in en gebaart dat ik moet wachten. Zijn neef heeft een auto. Binnen een half uur dendert er een wrak mijn richting op. Voor twintig euro kan hij me brengen. Van binnen is de auto helemaal gestript. Het plafond en de deuren zijn van blank metaal. Uit de achterbank steken wiebelige stukjes schuimrubber omhoog. Het doet me denken aan het MTV programma; ‘Pimp My Ride’. Met dit verschil dat auto’s bij MTV, na ze eerst te onttakelen, tot rijdende hoerenkasten worden omgebouwd, terwijl hier het einde nog lang niet in zicht is. Mijn knutselende chauffeur heeft zelf alle onderdelen bij elkaar gesprokkeld. Ieder draadje is een probleem. Kunstig heeft hij uit triplex een dashboard gezaagd, waar het cassettedek sluitend in past. Snel verandert de asfaltweg in een zandpad. Opgewekt hobbelen we langs een groene valei met palmbomen waar lichtbruine koeien grazen. ‘ Melk kunnen wij niet betalen, dat is voor toeristen’, vertelt de bestuurder. Snap ik, één pak melk kost twee euro. Aan de kant van de weg staan lifters, zoals overal in Cuba. ‘Laten we stoppen’, zeg ik. Het meisje heeft een wond op haar knie en wacht al drie uur. Het ziekenhuis is gratis, maar zonder vervoer onbereikbaar. We droppen haar bij de ingang. Ik beloof dat deze super-auto haar straks weer ophaalt. Een uur later stap ik een beetje shaky uit bij de turquoise zee aan de rand van de wereld.
ZOEKTOCHT NAAR AANSTEKER
Drie maanden woon ik in Havana en hou van deze zonnige stad aan de zee. Ik woon een blok van de Malecon, de levendige boulevard. Vaak zit ik op de muur naast een bilboard met Bush afgebeeld als huilebalk, naar opspattend zeewater te kijken. Voortdurend word ik aangesproken. Zangers met gitaren willen tegen betaling zingen. Mooie stemmen. Een land vol talent, zonder toekomst. Of ik vuur heb? ‘Nee, kapot’. Aanstekers die je hier koopt, zijn levensgevaarlijk. Of je verbrandt lelijk je duim óf het ding valt in stukjes uit elkaar. Tegenover mijn huis zit een man op de stoep achter een tafeltje. Ik laat de losse stukjes aan hem zien. Hij rommelt in zijn la en puzzelt totdat het hele zaakje weer een geheel is. Beetje gas, totale kosten; vijfentwintig eurocent. Daarna doet ie het even. Als door een woeste steekvlam mijn wimpers in de fik vliegen, gooi ik het ding radicaal weg.
Ik denk kort na en fiets in drie kwartier naar de dollarsupermarkt. Daar komen rijke Cubanen, (die bestaan ook), en buitenlanders. Eerst naar de parkeerwacht. Of hij mijn fiets wil bewaken? Ik mag hem vastzetten aan de bumper van zijn Jeep. In de winkel staan losse toonbanken met eigen kassa. Tweehonderd kadetjes liggen ordelijk als tinnen soldaten op rij bij de broodafdeling. In het middenpad zijn zes planken volgepropt met identieke ketchup. Vandaag ligt er spaghetti. Meteen meenemen, voordat het op is. De sigarettensectie verkoopt een slof Pall Mall, die ik nooit rook, met als geschenk een knalrode aansteker. Ik denk aan de slappe lucifers die het nooit doen, aan mijn onafhankelijkheid, en besluit de slof en de twintig dollar voor lief te nemen. Met een tas vol smakeloze sigaretten en een toffe Bic-aansteker loop ik tevreden naar de parkeerplaats. Op de plaats waar eerst de Jeep stond, ligt nu slechts een plasje water. Ter plekke krijg ik ongeveer een hartverzakking. Zou die parkeerwacht mijn fiets gejat hebben? Hij keek zo vriendelijk. Laat mijn intuïtie me in de steek? In blinde paniek kijk ik om me heen. Een andere parkeerwacht komt naar me toe. ‘Mi bicicleta?’, stamel ik. Hij zegt dat zijn collega ‘Problemas a la casa’ (problemen thuis) had. ‘Ja, wat nu?’, vraag ik. ‘ Hij komt zo terug’, zegt hij geruststellend. ‘Zo terug’, in Cuba? Dat kan best een tijdje duren. Ongeduldig zit ik te wachten. De zon glijdt statig de zee in. Het wordt donker en kouder. Ik heb geen trui bij me. Ik denk aan de fiets die gekidnapt is. Aan de afspraak die ik maakte met de verhuurder; ‘Bij diefstal, een nieuwe fiets retour, claro?’. Een nieuwe fiets in Havana? Ik heb ze gezien in het winkelcentrum. Chinese mountainbikes. Snertkwaliteit en vies duur. Als je er iets te lang naar kijkt, springt de lak er van schrik af. Boven de zee knippert een vliegtuig vol toeristen die linea recta naar een all-in resort reizen. Gekleurd bandje om de pols, de hele dag cocktails drinken gemaakt van obscure drank en een entertainment programma. Die huren vast geen fiets. Ik wel. Hollander die ik ben. Rillend zit ik met mijn klapperende plastic zak in de wind. Godzijdank zie ik na twee uur de groene Jeep aan komen scheuren. Achterop de rand van de laadruimte ligt mijn fiets te bonken. De parkeerwacht komt met een grote glimlach de auto uit. ‘Problemas a la casa’, roept hij naar me. Dat wist ik eigenlijk al. We maken de fiets los en hij helpt me de sigaretten met een touwtje op de bagagedrager te binden. Snelbinders bestaan alleen op plekken hier heel ver vandaan. ‘Vandaag hoeft u niets te betalen’, zegt hij. Ik geef hem een pakje Pall Mall. ‘Hasta la proxima vez’- tot de volgende keer- zegt hij. |
|
|